• Dr. Annemarieke Willemsen plaatst het laatste muntje van de tentoonstelling, onder goedkeurend oog van directeur Jan Stobbe.

Dertig jaar tussen twee schatten

DEN OEVER De twee Vikingschatten, die tussen 1996 en 2001 op Wieringen werden gevonden – de tweede in twee delen – mogen op Westerklief heel dicht bij elkaar hebben gelegen, tussen de herkomst van beide gaapt wel een periode van dertig jaar.

Dat vertelde dr. Annemarieke Willemsen, conservator van het Rijksmuseum voor Oudheden (RMO) te Leiden, donderdagavond in het Vikinginformatiecentrum. Ze opende daar de expositie 'Dorestad, impressie van een vroegmiddeleeuwse metropool' met een lezing vol wetenswaardigheden over de aanwezigheid van de Vikingen in Nederland. De eerste schat dateert van 850 of 851, zo hebben specialisten vastgesteld, en de tweede vermoedelijk van rond 880.

De sieraden, munten en zilverbaren die in 1996 in een Baadorf-pot op Westerklief werden gevonden, vormden de eerste vondst in Nederland die rechtstreeks naar de Vikingen kon worden herleid. Wieringen moet in die tijd een stapsteen zijn geweest, een overwinteringsplaats of tussenstation, voor noorderlingen die naar het zuiden trokken om handel te drijven, vertelde Willemsen. Rond 850 moeten hier Scandinaviërs zijn opgestoken, voor korte of langere tijd, en het was vrij normaal geld in de grond te bewaren. Het is waarschijnlijk dat de desbetreffende Viking onderweg was naar Dorestad. In 880 echter, was die stad in verval geraakt. Destijds waren veel Vikingen onderweg om Zutphen te plunderen, een van de steden die na Dorestad waren opgekomen. Dat de twee schatten zo dicht bij elkaar hebben gelegen, is niet raar. Wieringen was destijds een smalle hoogte, omringd door lager gelegen land dat in het algemeen slecht begaanbaar was. Er waren dus maar weinig plekken waar iemand zijn vermogen ongezien kon begraven voor later gebruik.

Lees hierover meer in de Wieringer Courant van dinsdag 31 oktober (ook in E-paper].